Geschiedenis

Afdrukken

De zwarte prins van de Pyreneeën

  

Tussen Frankrijk (Roussillion) en Spanje (Katalonië), in de buurt van het ministaatje Andorra, leven de Mérens in volle vrijheid op de plateaus van de oostelijke Pyreneeën.

De natuur is overweldigend, het klimaat ruig.

Honderden jaren lang hebben de krachtige zwarte bergpaarden op de schrale bergweiden geleefd. Twaalf maanden in het jaar waren zij dag en nacht buiten. Ze hebben alle weersomstandigheden van de natuur getrotseerd; vrieskou en bloedhitte, sneeuwstormen, onweer en aardverschuivingen. Dat alles hebben zij doorstaan en tot een buitengewoon paardenras gemaakt.

 


De zwarte prins heeft vele namen. In Frankrijk noemt men ze ‘Cheval Ariègoise’ of ‘Le Cheval d’Ariège’, vernoemt naar de rivier l’Ariège, die dit gebied zijn naam gaf. De officiële naam is ‘Poney Ariègoise de Mérens’ of in het kort ‘Mérens’, naar het kleine dorpje Mérens, in de buurt van het oude kuuroord Ax les Thermes, hoog in de Pyreneeën, waar de wortels van het paardenras liggen. Vroeger werden zij ook ‘Trait Ariègoise’ – werkpaard uit de Ariège - genoemd, toen zij vooral als werkpaard in de land- en houtbouw werden ingezet. Vandaag de dag worden de Mérens als gewoon rijpaard gebruikt.

  

De Mérens is altijd zwart en aftekeningen, behalve een klein sterretje op het hoofd, zijn niet gewenst. Op het eerste gezicht heeft een Mérens de gelijkenis met de Fries; de zwarte kleur, de lange manen en staart en het behang aan de benen.

 

Bij nader inzien gaat dit niet helemaal op. De Mérens is kleiner en compacter, zijn gangen zijn vlak en minder ruim.

 

Hoewel de Mérens toeneemt in grote en eleganter wordt, blijft het een krachtig werkpaard met veel uithoudingsvermogen. Het is geen klein paradepaard met grootse gangen van de Fries. Grote overeenkomst ontstaat daarentegen tussen de Mérens en het zwarte engelse Fellpony, ook wanneer deze duidelijk kleiner is.

 

 

Eén met de natuur

 

De natuur in de Pyreneeën is erg ruig. Maar weinig maanden in het jaar heeft het een rijke natuur. Op de plateaus is de winter lang en streng. In het verleden moesten de Mérens uitkomen met wat zij vinden konden. Ze wroetten onder het sneeuw voor mos en gras en bewegen zich over gladde hellingen als berggeiten.

 

Als zij de winter eenmaal door zijn gekomen, komen ze in het voorjaar ook weer verassend snel op kracht. In enige weken veranderen zij weer in glanzende, gezonde paarden vol energie.

 

De ruige natuur heeft de Mérens gemaakt tot wat hij nu is: een robuust, lichtvoetig en zeker paard met een goed karakter.

 

In de winter van 1976 heeft men een kudde van 10 drachtige merries om te overwinteren naar een vallei gebracht waar de temperatuur de -10° C niet overschrijdt en de zon niet meer dan twee uur per dag te zien is. Door deze omstandigheden moest van januari tot eind maart wel wat hooi gevoerd worden. Alle merries waren in een goede conditie en negen van hen brachten een gezond veulen ter wereld.

 

Vandaag de dag lopen de Mérens alleen in de zomer in de bergen. De winter brengen zij door in het dal. Ondanks dit is de robuustheid en soberheid toch bewaard gebleven en door de ‘betere’ levensomstandigheden wordt de Mérens groter dan in de rasstandaard genoemde 148 cm.

 

Door de schrale en harde omgeving, die de Mérens te verduren kreeg is de Mérens geworden wat hij vandaag is.

 

In zijn lange geschiedenis heeft de oorspronkelijk wilde Mérens zich aan de klimaatomstandigheden aangepast en zich in de laatste honderd jaar aan de bewoonde menselijke omgeving gewend.

 

In zijn omgeving, het gebied Ariège, leeft de Mérens het meest nog in een kudde. Hedendaags hebben zij wel allen een eigenaar, zodat men tenminste de laatste 50 jaren van een menselijke invloed op de voortplanting spreken kan.

 

Van mei tot oktober bevinden de Mérens zich op de onberoerde natuur op de bergweiden van de Ariège, zonder bewaking of omheining.

In het onherbergzame terrein is het vaak zo steil, dat ze gevaarlijke houdingen moeten aannemen, als de paarden van het kruidige gras willen genieten. Maar ook onweer, stortbuien, sneeuwstormen of een val in de afgrond zijn deel van het leven van de Mérens. Dodelijke ongelukken benadrukken elk jaar weer opnieuw het regionale spreekwoord; „Zoals de kudde van de berg eet, eet de berg van de kudde“.

 

Niettemin kan men zich geen betere opgroeiing en geen betere keus voorstellen dan het leven op 2000 m hoogte. Een bedachtzaam, rustig karakter is in deze wilde omgeving met diepe kloven en steile afgronden erg belangrijk. Paniek zou de dood tot gevolg hebben. Paarden zijn vluchtdieren. Echter in den bergen zou een onnadenkende vlucht onherroepelijk met een val in een afgrond eindigen. Aan het leven in het gebergte heeft de Mérens zijn lichtvoetigheid en een voortreffelijk evenwichtsgevoel te danken. Hij beweegt zich over zijn rotsachtige geboortegrond als een berggeit. Ook brengt dit buitengewone prestaties met zich mee wanneer het terrein zwaar en onbegaanbaar wordt.

 

Op bepaalde plaatsen strooien de eigenaren zout. Hierdoor keren de kuddes vaak weer naar dezelfde plek terug.De leiders van de kudde dragen vaak een bel om de hals en zijn vaak van verre te horen.

 

 

De robuuste bouw van de botten – een Mérens heeft buitengewone vaste en sterke botten, vooral in de benen – is noodzakelijk om steile rotsen te beklimmen. Zijn benen zijn relatief kort maar zwaar en de gewrichten sterk en goed aangezet. Ze bieden genoeg steun voor sterke pezen en spieren. De hoeven zijn uitgesproken hard, want door de rotsen en afgronden zouden ze anders snel slijten. Zijn spieren zijn door de gymnastische – of beter gezegd acrobatische – bewegingen die zij moeten ondernemen om zich voor te bewegen, sterk ontwikkeld. Zo is het een veelzijdigheidspaard met een betekenis geworden. Onwaarschijnlijk bescheiden, met ijzeren gezondheid en een groot uithoudingsvermogen, is de Mérens een rij-, pak- en trekpaard met vloeiende bewegingen en een bijzonder karakter geworden.

 

 

Elk paardenras worden naast zijn levensomstandigheden ook door zijn gebruik gevormd.

De Mérens werd op de boerderijen in de bergen voor al het werk wat er op het erf en bos was ingezet. In de 19e eeuw werd de Mérens ook gebruikt voor het transport van ijzererts uit het hooggebergte en als koetspaard voor gasten van de vele kuuroorden in dit gebied. Bovendien werd de Mérens ook gebruikt voor het transport van illegale smokkelwaren tussen Frankrijk, Spanje en Andorra. Ze hebben geleerd om zich in een gebied te kunnen voortbewegen waar de mens zich alleen niet waagde. Ze hebben zich ontwikkeld tot het dragen van enorme gewichten. Lasten van 150 kg waren voor hen geen probleem meer. Hoeveel mensen in de tweede wereldoorlog op de rug van en Mérens uit het bezette Frankrijk de vrijheid in zijn gevlucht is niet bekent.

 

 

Nakomelingen van de oerpaarden?

 

Over de herkomst van de Mérens gaan veel theorieën.

 

In de dalen aan de voet van de Pyreneeën ontdekte men in grottekeningen, die waarschijnlijk 17.000 jaar oud zijn. In dit tijdperk, aan het einde van de ijstijd, tekende de grotbewoners de gevangen dieren op de wanden van hun holen. In de grotten van Niaux in de Ariège zijn prehistorische tekeningen van paarden gevonden. De tekeningen geven een massieve oerpony weer, die in deze tijd aan de rand van de Gletsjer leefde. Deze oerpony wordt als voorvader van de West-Europese koudbloedrassen beschouwd. Ook in de nabijgelegen grotten Mas d’Asil zijn kunstwerken gevonden, die duizenden jaren oud zijn. Onder andere is daar een uit ivoor gehakt paardenhoofd gevonden, die erg veel gelijkenis heeft met de grottekeningen.

 

Veel geloven dat de Mérens een directe nakomeling is van het oerpaard, welke men kan zien op de tekeningen in de grotten van Niaux. Zeker is dat het een zeer oud ras is dat zich in een besloten gebied van de Pyreneeën ontwikkeld heeft.

 

 

De overeenkomsten tussen de huidige Mérens en de prehistorische afbeeldingen hebben veel overeenkomsten. Of zij direct van hen afstammen, is niet te zeggen. Men gaat er in ieder geval van uit dat de Mérens ten minste 2000 jaar geïsoleerd op de berghellingen van de Pyreneeën leefden. Zeker is het ook dat er een Arabier, die door de Moren in de 8ste eeuw naar Spanje is gebracht, zijn weg in de bergdalen van de Pyreneeën heeft gevonden, aangezien het hoofd van de Mérens Arabische invloeden laat zien.

Dat alle Mérens bij voorkeur zonder aftekeningen moeten zijn, was niet altijd zo. De paarden met aftekeningen waren vroeger voor hun eigenaren, in de kudde waarin zij opgroeiden, gemakkelijker te herkennen. Als zij drie jaar zijn werden zij uit de bergen gehaald en gebruiksklaar gemaakt. De minder goed te herkennen zwarte paarden bleven in de wildernis van de bergweiden en zorgden voor het voortbestaan van het ras.

 

 

De lange weg door de geschiedenis

 

De Mérens is een oud ras. Al in de tijd van Julius Cesar waren de paarden bekend en hij bewonderde zij als artillerie paard wegens hun dapperheid en uithoudingsvermogen.

Ook uit de verhalen van Napoleon komt naar voren dat de met Mérenspaarden uitgeruste artillerie tot de weinigen behoorden, die naar de verloren veldslag terugkeerde.

Het kleine dorpje Mérens-les-Vals, op het kruispunt van de dalen van Nabre en Mourgouillou gelegen, heeft het paard zijn naam gegeven. In het midden van de 19e eeuw, toen het dorp met 800 inwoners het bevolkingsmaximum bereikt had, stonden er rond de 180 fokpaarden in de stallen. In de zomermaanden van mei tot oktober werden de paarden uit de stallen gehaald en naar de bergweiden van de Ariège gebracht.

 

Voor het behoud van het ras was het noodzakelijk dat de vruchtbare weiden van Soulane in de gemeente Canillo van Andorra die Mérens vaak met koeien moesten delen. Door een contract was geregend dat de merries vanaf augustus, dat is twee maanden na de koeien, pas de weiden mochten betreden. Aan het begin van de 20ste eeuw begon men met de bescherming van het ras. In 1908 besloot Gabriel Lamarque, de voorzitter van de landbouwcoöperatieve vereniging van de Ariège, om de Mérens te keuren en de beste merries en hengsten uit te kiezen. Uit zijn inspanningen voor het behoud van het ras werd in 1933 de rassenfederatie SHERPA tot stand gebracht. SHERPA wilde in het bijzonder naar een bepaalde homogeniteit in het type werken. Tot de Tweede Wereldoorlog had de Mérens als ras een “legercertificaat” van het Franse leger, voor het gebruik voor militaire doeleinden. Regelmatig worden Mérens door het leger, dat op deze wijze aan het behoud van het ras bijdroeg, gekocht.

 

Na de oorlog werd de functie overgebracht door de staatsstoeterijen Tarbes en Pau, die zich voorheer bijna uitsluitend het ras Arabieren Anglo overnamen.

Zij kopen Mérens hengsten en verkopen hen aan de fokkers. De staatsstoeterij Tarbes richte in 1946 een stamboek op, dat in 1947 zijn register opende.

De inspanningen van de rassenfederatie werden vernietigd in de Tweede Wereld oorlog. Het ras bestond praktisch niet meer. Er waren nog 13 hengsten, waarvan iedereen dezelfde voorvader had; de beroemde hengst Vigoureux. Hij werd gered omdat men hem naar Tunesië verkocht.

 

Na de oorlog herinnerde men hem weer en haalde men Vigoureux – Frans voor Krachtige - terug nnaar Frankrijk, waar hij de voorvader van de nieuwe Mérens werd. Alle Mérens in het centrale stamboek  van het ras stammen van Vigoureux af. Zijn nakomenlingen; Quart, Contestataire, Vengeur en Uranium zijn de voorvaders van de huidige vier bloedlijnen van de dekhengsten.

De Mérens hebben in hun onvoorstelbare lange geschiedenis alle tegenslagen getrotseerd, maar toch dreigde het ras in de jaren 60 wederom uit te sterven. Precies zoals bij ons kregen de paarden in de Pyreneeën in de jaren '50 concurrentie van motorisering en mechanisatie. Niet alleen de concurrentie door tractoren en landbouwmachines, maar door ook kabels -, koord en reekspoorwegen. Gelijktijdig verlieten veel mensen de primitieve bergdorpen en zochten hun geluk in de stad en in rijkere delen van Frankrijk.

 

 

Hierdoor waren er noch maar weinig fokkers. Zo waren erin 1954 noch 50 fokkers en in 1972 was dit aantal verminderd naar 23.

 

Er was maar een klein aantal Mérens over volledig verspreid in Frankrijk. Het ras was nauwelijks nog mogelijk toe te schrijven aan de grote afstanden. De Mérens dreigde, zoals veel gelijkwaardige paardenrassen, uit te sterven. In 1976 registreerde de rassenfederatie slechts 150 paarden; 16 hengsten en 134 merries.

Nog net op tijd slaagde een kleine groep geïnspireerde Mérensliefhebbers erin om dit ras in Frankrijk in de volgende 20 jaar op zowat duizend dieren te brengen, zonder het ras in het buitenland bekent te maken. In Frankrijk werden de Mérens eerst naar andere berggebieden verkocht, zoals de Alpen en het centrale massief. Later hebben de nationale parken in het centrale massief en in de Bretagne verscheidene Mérens gekocht, waar ze in vrijheid, zoals in hun oorsprongsgebied, konden leven.

Ondertussen wordt de Mérens naar vele landen, waaronder België, Nederland, Spanje, Duitsland, Italië en Japan geëxporteerd. In  Nederland en Italië zijn er ondertussen zelfs reeds onafhankelijke dochterstamboeken voor de Mérens.

 

 

De Geschiedenis van Bonbon

 

L'Hospitalet is een klein dorpje in de Pyreneeën, waar de grenzen van Frankrijk, Spanje en Andorra samenkomen. Het ligt op een hoogte van 1500 m. Jérôme Laurens was de laatste fokker van de Pyreneese bergpaardjes; de Mérens. Jérôme was 66 jaar oud en had in zijn dorp ervaren, wat in vele verre bergdorpen was gebeurd;  de jonge mensen misten het comfort van het moderne leven en trokken naar de steden. Tenslotte waren er zo weinig mensen dat de arts geen patiënten, de koopman geen klanten, de pastoor geen gelovigen en de leraar van de dorpsschool geen leerlingen meer had. Wanneer ook zij het dorp hadden verlaten werd het leven voor de overgebleven bewoners nog zwaarder.

 

 

 

Zo was in 1970 in de regio Ax-les-Thermes en Les Cabannes bijna geen bergboer meer jonger dan 35 jaar.

1967 had Jérôme Laurens nog een wonderschone merrie met de zeldzame naam Table. Table Kreeg een prachtig hengstveulen.

Jérôme, ondanks zijn harde leven als boer had hij een beetje sentiment en noemde het mooie veulen BonBon.

Bonbon was een typische vertegenwoordiger van zijn ras; straalzwart met een compacte bouw, lange sterke rug, sterke benen, een klein edel Arabisch hoofd en een ronde buik, die ervoor bedoeld was om het laatste kleine beetje veevoeder in voedingsmiddelen ook om te zetten.

 

Toen in het voorjaar de milde wind uit het zuiden de sneeuw deed smelten, werden de Mérens onrustig. In mei begon Table met BonBon haar reis naar het hoger gelegen bergmassief. Moeder en zoon gebruikten een spoorwegtunnel die aangelegd werd om de ijzererts van de Pyreneeën te transporteren. Gelukkig komen zij in de tunnel geen trein tegen. In hun verdere reis ontmoetten zij vijf soortgenoten. Samen vormden zij een kudde die de zomer met elkaar zouden doorbrengen in de bergen vlakbij Andorra.

 

Jérôme Laurens had op zijn motor een plaats ontdekt waar hij met een verrekijker de paarden kon zien grazen. Zo nu en dan controleerde hij zijn kudde. Maar in juli moesten de paarden om  veterinaire redenen plotseling de bergen van Andorra verlaten en Jérôme haalde zijn paarden terug.

 

In het lager gelegen gebied, waar zij de zomer moesten doorbrengen was het bloedend heet.

Op de vlucht voor de zon zochten zij een schaduwrijke plek. Toen zij een berghut vonden en daar binnen gingen, duwde een Mérens de deur in het slot. Alleen BonBon was nog buiten, afgezonderd van zijn moeder die met de vijf andere merries in de val zat. Weken later kwam er een voorbijganger welke BonBon naar de hut voerde. Maar het was te laat. Alle zes paarden waren omgekomen.

Men besloot de berghut te slopen om een waardige gedenkplaats voor de zes omgekomen paarden te maken. Het zestal had de laatste fokker van l’Hospitalet verslagen. Jérôme Laurens gaf het op. Hij verkocht BonBon aan de dichtstbijzijnde paardenhandelaar en wilde ook niks meer over zijn verdere bestemming weten, omdat hij diep van binnen bang voor was dat BonBon in het slachthuis zou eindigen.

 

Tien jaar later was het stamboek de geschiedenis van BonBon nagegaan. Hij had vijf verschillende eigenaren gehad in heel Frankrijk, voordat hij in 1974 in de Pyreneeën terugkeerde.

Ondanks alles had deze ontroerende geschiedenis geen Happy-End. Jaren later werden BonBon en zijn kudde verrast door het onweer en stortten zij in een afgrond en kwamen zij aan een verschikkelijk eind.

 

 

Intussen waren er mensen gevonden die het ras van de ondergang wilden redden. In 1976 ging het verhaal dat er nog een hengst rondliep die zeker de moeite waard was om de leiding van een kudde in de Ariège over te nemen; BonBon. Meteen hebben zij de verloren zoon teruggehaald om bij te dragen aan het behoud van het ras. Voor velen betekende zijn terugkeer in het berggebied een zegening.